De vakantie is nog lang,
niets hoeft en alles mag.
De avonden waaien langzaam voorbij.
En ik geniet van geuren, licht en lucht.
De boten varen traag door,
Pop, pop, pop, een monotone dreun van motoren.
Wachtend op het licht,
zwem ik nog wat in de Waal.
Dan komt de zon, die een zwaar luchtje bestraalt.
Dit hoeft niet voorbij te gaan.
Zonder jas, zonder zorgen, zonder tijd,
je voelt je vrij en toch geborgen.